Geschiedenis

Mei 1940
Geschiedenis

De Nederlandse grondgebonden luchtverdediging in mei 1940 

Ronald Dorenbos

Het mag als algemeen bekend worden verondersteld dat een aanzienlijk deel van de verliezen van de Luftwaffe in mei 1940 in Nederland werd veroorzaakt door de inzet van luchtafweer vanaf de grond. Maar wat was nu precies die luchtafweer, over welke middelen beschikte zij, hoe was zij georganiseerd en hoe effectief was zij?  

   
In het interbellum tussen wereldoorlogen ontwikkelde zich de gedachte dat de luchtoorlog, en dan met name het vanuit de lucht bestoken van militaire en civiele doelen, een doorslaggevende factor in de strijd zou zijn. Het Duitse bombardement op Guernica in 1937 tijdens de Spaanse Burgeroorlog leek die bange gevoelens te bevestigen. De ontwikkelingen bleven in Nederland niet onopgemerkt en de versterking van de luchtverdediging werd een prioriteit in het defensiebeleid in de jaren direct vóór het uitbreken van de oorlog. Voor extra luchtverdedigingsmiddelen kwam wel budget beschikbaar, maar de aanschaf daarvan werd flink bemoeilijkt door de grote internationale vraag naar die middelen en door exportbeperkingen van de producerende landen. Nederland ontwikkelde zelf geen luchtverdedigingswapens, maar bij onder andere de Artillerie Inrichtingen te Zaandam vond wel licentiebouw plaats. Rekentoestellen voor het berekenen van de voorhoudshoek van de kanonnen werden wel in Nederland gebouwd, onder andere door de firma's Nedinsco en Hazemeijer (de latere Hollandse Signaalapparaten, nu Thales Nederland). Voor waarneming en identificatie van (vijandelijke) vliegtuigen was alleen het blote oog beschikbaar, bij zoeklichtafdelingen aangevuld met luistertoestellen [1]. 

hcglvd.nl-/plaatjes/Foto1.webp

De Vickers 7,5tl No.1 in een ‘neutraliteitsopstelling’ (Beeldbank NIMH)                       

hcglvd.nl-/plaatjes/Foto2.webp

Afstands- en hoogtemeter 7tl batterij (Beeldbank NIMH) 

Organisatie 

Als organisatorische maatregel werd op 1 november 1938 het Commando Luchtverdediging (Co. Lvd) opgericht. Generaal-Majoor P(iet) W. Best werd als commandant (C.Lvd) aangesteld. Onder Bests  commando vielen de Luchtvaartbrigade (de vliegende component van de luchtverdediging), de Brigade Luchtdoelartillerie, de drie Luchtverdedigingskringen, een regiment Genietroepen uitgerust met zoeklichten en het Vrijwillige Landstormkorps Luchtwachtdienst (V.L.K.Lwd.), vanaf maart 1939 aangevuld met het net opgerichte Vrijwillige Landstormkorps Luchtafweerdienst (V.L.K.Lad.). Maar niet alle luchtverdedigingsmiddelen kwamen onder zijn commando: de luchtafweereenheden van het Veldleger en die in Friesland en in Zuid-Limburg, en ook die van de Koninklijke Marine vielen daarbuiten.  

De luchtverdediging op de grond was voornamelijk georganiseerd in drie Luchtverdedigingskringen (Amsterdam, Rotterdam/ 's-Gravenhage en Utrecht/Soesterberg). Deze kringen waren gevormd omdat zich hier de objecten bevonden die door de regering als de meest belangrijke waren aangemerkt, zoals het regeringscentrum, de grote havens en steden en het spoorwegknooppunt Utrecht. De schaarste aan luchtverdedigingsmiddelen maakte dat belangrijke objecten die zich buiten de Vesting Holland bevonden, zoals de bruggen over de IJssel, niet of nagenoeg niet verdedigd konden worden.  

Het V.L.K.Lwd., bemand door gemilitariseerde vrijwilligers, voorzag het Centraal Luchtwachtbureau (C.L.B.) in Den Haag via de Hoofdluchtwachtbureaus in Amsterdam, Rotterdam of Utrecht vanuit 146 waarnemingsposten met informatie over (vijandelijke) vliegtuigen in het Nederlandse luchtruim. Die informatie werd vervolgens door het C.L.B. via ‘Radio Hilversum’, de publieke radio dus, verspreid naar de luchtafweereenheden. Echter, de rapportage vanaf een waarnemingspost tot aan het C.L.B. kon bijna drie minuten in beslag nemen, in welke tijd een vliegtuig al zo’n 15 tot 20 km kon hebben afgelegd. Hierdoor was deze procedure ongeschikt voor de tactische gevechtsleiding van luchtverdedigingsmiddelen. In de meidagen zijn zo’n 16.000 waarnemingsmeldingen bij het C.L.B. binnengekomen.  

Voor de luchtverdediging bij nacht waren zoeklichten en luistertoestellen beschikbaar. Omdat de luchtoorlog boven Nederland zich in mei 1940 nagenoeg totaal bij daglicht afspeelde, hebben de zoeklichten geen noemenswaardige rol gespeeld. Zij blijven in dit artikel dan ook verder buiten beschouwing.  

Het V.L.K.Lad. bestond uit gemilitariseerde vrijwilligers die door de industrie en burgerij bekostigde mitrailleurs bemanden. Zij werden ingezet om civiele objecten (bij voorkeur die van de geldschieters) te verdedigen. Voorbeelden hiervan zijn de Gist- en Spiritusfabriek te Delft en de Coöperatieve Condensfabriek Friesland in Leeuwarden. Het V.L.K.Lad. bestond in mei 1940 uit afdelingen te Leeuwarden, Delft, 's-Gravenhage, Rotterdam, Utrecht en in de Zaanstreek, in totaal negentien pelotons met ieder (meestal) twee Oerlikon-mitrailleurs. 

Het Veldleger beschikte over eigen luchtverdedigingsmiddelen in de vorm van mitrailleurs en 40 millimeter kanonnen. De Koninklijke Marine had haar eigen zelfstandige luchtafweer bij De Mok (Texel), Den Helder, Vlieland [2], Vlissingen en Veere. 

Middelen 

De luchtverdedigingswapens bestonden uit mitrailleurs en kanonnen (de echte artillerist spreekt van vuurmonden). De standaard mitrailleurs waren de Duitse sMG 08 Spandau, in Nederland bekend onder de naam M.25, en de Oerlikon 2tl No.1.[3] De M.25’s waren na de Duitse capitulatie in 1918 in Nederlandse handen gekomen. Omdat de mitrailleurs al een actief frontleven in Frankrijk hadden gehad waren zij flink versleten en storingsgevoelig. De Zwitserse Oerlikons waren wel betrouwbare, moderne mitrailleurs maar slechts 170 van de bestelde 450 wapens werden vóór het uitbreken van de oorlog geleverd. Als noodmaatregel wist Nederland nog 46 Italiaanse Scotti-Isotta-Fraschini 2 centimeter mitrailleurs (de 2tl No.2) te verkrijgen. De inventaris aan kanonnen was helemaal een allegaartje: sterk verouderde kanonnen met een kaliber van 6, 7, 8 en 10 centimeter, aangevuld met meer moderne kanonnen. Die laatsten waren de 46, voornamelijk in Polen en Hongarije in licentie gebouwde, Zweedse Bofors 4tl en de Vickers-Armstrong 7,5tl No.1. Dit laatste kanon werd ook in licentie gebouwd door de Artillerie Inrichtingen in Zaandam. Tragischer wijze bevonden zich daar op 10 mei nog ruim zestig kanonnen in opslag omdat hiervoor geen rekentoestellen (en bemanningen) voorhanden waren. Vlak vóór mei 1940 verkreeg de luchtdoelartillerie nog twaalf Tsjechische Skoda 7,5 centimeter kanonnen (de 7,5tl No.2). De mitrailleureenheden bij het Veldleger bestonden uit compagnieën (Compagnie Luchtdoel Mitrailleurs; Comp.Lu.Mitr.), ieder weer gevormd uit vier pelotons met elk twee 2 centimeter mitrailleurs, twee M.25s en een batterij Bofors 4tl. Zelfstandige mitrailleurpelotons beschikten over vier M.25s. Zij traden veelal op in combinatie met de luchtverdedigingsbatterijen. De batterij (Batterij Luchtdoel Artillerie; Bt.Lu.A.) was de standaardeenheid bij de kanonnen. Een batterij beschikte over drie (bij de 7,5tl No.2 vier) kanonnen, een stereoscopische afstands- en hoogtemeter en een rekentoestel.  

 hcglvd.nl-/plaatjes/Foto3.webp

    De M.25 Spandau (Beeldbank NIMH)                                                       


hcglvd.nl-/plaatjes/Foto4.webp

De Oerlikon 2tl No.1 (Beeldbank NIMH)

De opstelling van de luchtverdedigingsmiddelen op 10 mei was een afspiegeling van het verdedigingsplan van de Opperbevelhebber Land- en Zeemacht (OLZ), Generaal Winkelman. Dit plan voorzag in een concentratie van de verdediging in de Vesting Holland (grofweg de Randstad) met de Grebbelinie (ook Valleistelling genaamd) als hoofdweerstandslijn. De troepen gelegerd in het oostelijke deel van West-Brabant zouden volgens een geheim plan al op de eerste oorlogsdag worden teruggetrokken naar de Waal-Lingestelling en het zuidfront van de Vesting Holland. Dat vereiste het oversteken van de Maas, Waal en (Neder)Rijn/Lek. Die kwetsbare oversteekplaatsen moesten daarom worden voorzien van luchtafweer. Uit de verrassende en succesvolle inzet van Duitse luchtlandingseenheden in april 1940 in Denemarken en Noorwegen werd de les getrokken dat de Nederlandse vliegvelden in de Vesting Holland kwetsbaar waren voor overmeestering vanuit de lucht. Opvallend daarbij is dat het Vliegpark Valkenburg niet van luchtafweer werd voorzien, want dat terrein was immers nog in aanleg.  

hcglvd.nl-/plaatjes/gegevens geschut.webp

De technische specificaties van de belangrijkste luchtafweerwapens (Molenaar)

 

De situatie op 10 mei 1940 was als volgt:

Onder het Co. Lvd vielen de Luchtverdedigingskringen Amsterdam en Rotterdam/’s-Gravenhage, het 3e Regiment Zoeklichten, het V.L.K.Lwd. en het V.L.K.Lad. Bij het Veldleger waren, naast de bij de legerkorpsen en divisies ingedeelde mitrailleurcompagniëen en batterijen Bofors 4tl, ook de middelen van de Luchtverdedigingskring Utrecht/Soesterberg ingedeeld. Het Commando Zeeland, de Territoriaal Commandanten Zuid-Limburg en Friesland en de Stelling Den Helder en Vliegpark Bergen beschikten over min of meer zelfstandige luchtverdedigingseenheden. De totale inzet gerede sterkte op 10 mei ’s morgens vroeg omvatte 53 batterijen luchtdoelkanonnen, met tezamen 162 kanonnen (waarvan 81 moderne 7,5tl en 42 stuks 4tl), 160 moderne mitrailleurs 2tl en 447 verouderde Spandau M.25 mitrailleurs.[4] Direct na het begin van de aanval ging een aantal eenheden verloren, maar vanuit het Depot Luchtdoelartillerie in Alkmaar kon met personeel uit de opleidingen en instructiemateriaal nog een aantal verse eenheden worden gevormd. Het betrof een batterij 7,5tl, een batterij 4tl en een aantal mitrailleureenheden. Tezamen vormden deze de op 11 mei opgerichte Luchtverdedigingsgroep Alkmaar. 

hcglvd.nl-/plaatjes/kaartje_kleur.webp

De opstelling van de luchtafweer, 10 mei 1940 (Collectie HCGLVD)

Inzet

In de periode voorafgaand aan 10 mei waren de luchtverdedigingsmiddelen opgesteld in zogenaamde neutraliteitsstellingen. Er was (uit kostenoverwegingen) uitdrukkelijk opdracht gegeven dat deze opstellingen niet gecamoufleerd mochten worden of van dekkingen worden voorzien. Men was zich bewust dat die opstellingen dus genoegzaam bij de vijand bekend waren. Lang niet alle commandanten gaven gehoor aan deze opdracht. Met name bij de mitrailleureenheden werden geïmproviseerde dekkingen in de vorm van betonnen ringen en aarden wallen aangebracht. Voor daadwerkelijke oorlogsinzet waren reserve- of wisselopstellingen voorzien. Hiervoor was wel camouflage- en versterkingsmateriaal aanwezig, maar om die opstellingen geheim te houden mochten hier tot het uitbreken van de vijandelijkheden geen werkzaamheden plaatsvinden. Deze bepalingen hebben in een aantal gevallen tot slachtoffers en schade bij de luchtafweereenheden geleid, bijvoorbeeld bij 113 Bt.Lu.A. te Drumpt (Tiel) en 13 Bt.Lu.A. bij Park Leeuwenbergh, net noord van vliegveld Ypenburg. De eenheden leerden hier snel van: tijdens de oorlogsdagen werden op grote schaal gevorderde burgerwerkkrachten ingezet om versterkingen voor de luchtafweereenheden te bouwen.

  hcglvd.nl-/plaatjes/Gevechtsverslag 13Bt.webp

Deel gevechtsverslag 13 Bt.Lu.A. (NIMH) [5,6] 

  
Vanaf de mobilisatie in augustus 1939 verkeerde de luchtafweer al in een verhoogde staat van paraatheid. Op 8 mei 1940 om 16:15 uur vaardigde de C.Lvd de order uit dat de luchtafweer tussen één uur voor zonsopkomst (op 10 mei was dat om 04:15 uur) tot 08:00 uur de ‘hoogste graad van strijdvaardigheid’ moest innemen. Maar deze order was niet gericht aan het Depot Luchtdoelartillerie in Alkmaar, die daardoor op 10 mei door de oorlogshandelingen verrast werd. Ook een aantal andere luchtverdedigingseenheden verkeerde bij het uitbreken van de vijandelijkheden toch nog niet in de hoogste staat van paraatheid. Op 10 april had Best, inmiddels Luitenant-Generaal, zijn ‘machtigingen tot vuuropening’ uitgevaardigd. In het licht van de Duitse verrassingsaanval is onderstaande bepaling daaruit relevant. 

hcglvd.nl-/plaatjes/roe-2.webp

Geweldsinstructie C.Lvd (Molenaar) 

Door het ontbreken van een effectieve centrale aansturing van de luchtafweer waren de commandanten van de luchtafweereenheden autonoom in het bevuren van doelen.[6] Luchtafweereenheden waren zelf verantwoordelijk voor het, met het blote oog, detecteren en identificeren van doelen. Bij de mitrailleurs bepaalde de schutter met zijn vizier de voorhoudshoek tot het doel en kon dan met behulp van de lichtspoormunitie zijn vuur corrigeren. Bij de kanonnen werd de voorhoudshoek berekend door middel van een stereoscopische afstands- en hoogtemeter gekoppeld aan een elektromechanisch rekenapparaat. Bij de 7,5tl’s werden die richtgegevens via een datakabel naar de kanonnen verstuurd. Bij de oudere kanonsystemen moest de richtinformatie telefonisch aan de stuksbemanning worden doorgegeven. De 113 Bt.Lu.A. meldde daarover dat de kanonniers inmiddels schietdoof waren geworden en deze informatie niet meer konden opnemen, waardoor de kanonnen alleen nog maar met ‘stuksvuur’ (dus individueel met behulp van het eigen vizier) konden worden ingezet. De oudere kanonsystemen waren amper inzetbaar omdat de rekentoestellen daarvan de ‘moderne’ vliegsnelheden niet aankonden. Bij de 7,5tl’s trad het probleem naar voren dat de tijdbuizen [8] in de granaten niet naar behoren functioneerden, waardoor veel vuur ineffectief was. Een andere beperking bij de 7,5tl’s was de beperkte munitievoorraad. Bij alle eenheden gold een gebrek aan daadwerkelijke schietervaring en onervarenheid en ongeoefendheid van het personeel, veroorzaakt door de snelle expansie van de luchtafweer in de maanden voorafgaand aan 10 mei. 

Door de geplande terugtrekking van de troepen uit Brabant, maar ook door de Duitse opmars, moesten met name de luchtverdedigingsmiddelen van het Veldleger veelvuldig verplaatsen. Die verplaatsingen vonden meestal bij duisternis plaats, om de volgende ochtend op de nieuwe positie weer gereed voor inzet te zijn. Hieronder als voorbeeld het gevechtsverslag van 5 Comp.Lu.Mitr. De verplaatsingen over de soms smalle wegen werden gehinderd door terugtrekkende troepen, evacuerende burgers en wachttijden bij het oversteken van rivieren.  

hcglvd.nl-/plaatjes/5Cie Lumitr kort.webp
Gevechtsverslag 5 Comp.Lu.Mitr. (NIMH)
 

Sommige eenheden werden al in de eerste oorlogsuren overvallen en uitgeschakeld door de Duitse luchtlandingstroepen. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de Moerdijkbruggen (19 Bt.Lu.A. en de mitrailleurpelotons tussen Moerdijk en Zwijndrecht) en bij vliegveld Waalhaven (77 Bt.Lu.A.). Ook blue-on-blue beschietingen kwamen voor: op 11 mei beschoot de luchtafweer bij het Vliegkamp De Mok en de Stelling Den Helder een Nederlandse patrouille van zes Fokker D.XVII’s waardoor er twee een noodlanding moesten uitvoeren, gelukkig zonder slachtoffers. In de middag van 14 mei waren door van hogerhand opgedragen verplaatsingen geen luchtverdedigingseenheden meer aanwezig in Rotterdam of de onmiddellijke omgeving daarvan, waardoor het Duitse bombardement ongehinderd kon plaatsvinden. In zijn bevel tot het neerleggen van de wapens van 14 mei gaf C.Lvd de opdracht wapens, munitie en materieel onbruikbaar te maken of te vernietigen. Die opdracht werd op 15 mei door hem op last van de OLZ herroepen, maar toen was al een deel vernietigd. 

Successen en verliezen 

De gevechtsverslagen van de eenheden vermelden grote aantallen successen in de strijd tegen de Luftwaffe. Een inventarisatie van de gezamenlijke gevechtsverslagen komt tot ongeveer 375 claims, waaronder ongetwijfeld een aantal dubbeltellingen. De Luchtverdedigingskring Utrecht/Soesterberg alleen al stelt in haar after action report 111 vijandelijke toestellen te hebben neergehaald waarvan 57 met zekerheid. Vooral op 10 mei wisten de luchtdoelmitrailleurs successen te boeken tegen de laag en langzaam vliegende Ju 52’s. De Luftwaffe trok hier snel lering uit, want in de volgende dagen werd voornamelijk gevlogen op hoogtes waarop de luchtdoelmitrailleurs niet meer effectief waren. Zoals altijd blijkt bij nader onderzoek dat het aantal geclaimde successen aanmerkelijk groter is dan het aantal bewijsbare successen. Hoeveel successen er daadwerkelijk aan de inzet van de grondgebonden luchtverdediging kunnen worden toegeschreven zal waarschijnlijk nooit helemaal worden opgehelderd. Een orde van grootte van rond 100 kills lijkt niet onrealistisch.[9]  

De betrekkelijke efficiëntie van de luchtafweer kan worden afgeleid uit het aantal geclaimde successen afgezet tegenover het munitieverbruik. Tegenover het bovengenoemde aantal claims van de Luchtverdedigingskring Utrecht/Soesterberg bijvoorbeeld staat een gemeld verbruik van 4062 patronen 7,5 centimeter, 3175 patronen 6 centimeter en circa 100.000 patronen voor de mitrailleurs. Het V.L.K.Lad. claimt met 14.244 schoten in totaal 29 vliegtuigen te hebben neergehaald. In vergelijking met Duitse ervaringen enige jaren later, en zelfs als de aantallen gemelde successen schromelijk overdreven zijn, een opmerkelijk gunstige ratio.[10] 

De successen hadden wel een keerzijde. Het aantal bij de grondgebonden luchtverdediging tijdens de Duitse inval ingezette militairen bedroeg rond 16.000. Daarvan zijn er tijdens de meidagen of onmiddellijk daarna 71 gesneuveld. De volgende aantallen dapperheidsonderscheidingen werden toegekend aan luchtverdedigingspersoneel: één Militaire Willemsorde, één Bronzen Leeuw en zestien Bronzen Kruizen.  

hcglvd.nl-/plaatjes/grafsteen.webp
Grafstenen Soldaten
Van Nieuwenhuijzen en Ten Haken, Algemene Begraafplaats Zoelen en Kerk-Avezaath, zie verslag 5 Comp.Lu.Mitr. (Dorenbos) 

De grondgebonden luchtverdediging heeft in mei 1940 naar behoren bijgedragen aan de verdediging van Nederland tegen de Duitse inval. Zeker als die inzet wordt bezien in het licht van de onvoldoende en deels verouderde bewapening en het gebrek aan geoefendheid van het personeel. De effectiviteit van de inzet werd aanvankelijk zeer optimistisch ingeschat, later onderzoek komt tot een meer realistische inschatting. Maar wat het juiste aantal ook moge zijn, dit doet niets af aan de betoonde inzet van de luchtverdedigers. 

 

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in ‘Bulletin Air War’ nr. 455 (februari 2026), het blad van de Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945 https://studiegroepluchtoorlog.nl/

© 2026 Ronald Dorenbos

Noten: 

1. Het Physisch Laboratorium (later TNO) had in het geheim een radartoestel ontwikkeld, het ‘Luistertoestel Model 1939’. Een prototype hiervan is tijdens de meidagen ingezet op het Malieveld in Den Haag. De ontwerper kon met twee toestellen naar het VK uitwijken. 

2. Deze batterij was tijdens de Eerste Wereldoorlog gebouwd als onderdeel van de Stelling Vlieland en kreeg in de jaren dertig een aanvullende luchtafweerfunctie, vooral door plaatsing van lichte mitrailleurs ter bescherming van de artillerieopstellingen. De Oostbatterij vormde daarmee de noordelijkste schakel in het maritieme luchtverdedigingssysteem van Nederland. 

3. 2tl staat voor ‘2 centimeter tegen luchtdoelen’ 

4. De genoemde getallen zijn gebaseerd op een analyse van Molenaar’s ‘De luchtverdediging mei 1940’. Andere bronnen komen tot iets afwijkende aantallen. 

5. De genoemde (Korporaal) Jan van Oudheusden werd in 1946 voor dit optreden postuum benoemd tot Ridder 4e Klasse in de Militaire Willemsorde. Hij overleed in 1943 aan de gevolgen van Duitse mishandelingen. In Hilversum is een kazerne naar hem vernoemd. 

6. Bij de Historische Collectie Grondgebonden Luchtverdediging is een 7,5tl No.1 van die batterij tentoongesteld. Ook dit kanon werd bij het Duitse bombardement beschadigd. In die collectie bevinden zich ook de Oerlikon 2tl No.1, de Scotti 2tl No.2 en een Bofors 40 mm kanon. Zie www.hcglvd.nl 

7. Een zeldzame uitzondering hierop was het aan 12 Bt.Lu.A (omgeving Amersfoort) uitgevaardigde verbod tot vuren op 13 mei tussen 3 en 4 uur vanwege een verwachte RAF-aanval op de Duitse troepen bij Wageningen. 

8. De door het rekentoestel berekende vluchttijd van de granaat tot het doel werd mechanisch ingesteld in de ontsteker. Na het afvuren en bij het bereiken van de ingestelde tijd ontplofte de granaat, die hopelijk op dat moment in de onmiddellijke nabijheid van het doel was. Zo kon een near miss toch catastrofaal zijn. 

9. De toenmalige Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht kwam in ‘75 jaar luchtdoelartillerie’ tot 63 met absolute zekerheid door de luchtverdediging neergeschoten Duitse vliegtuigen. Het Verliesregister SGLO komt tot 65-68 door de luchtafweer neergeschoten Duitse vliegtuigen, plus 63 deels waarschijnlijk (auteur’s interpretatie) en deels mogelijke door de luchtafweer neergeschoten toestellen. 

10. ‘Nach Ermittlungen des Generalquartiermeisters des Generalstabs der Luftwaffe waren für einen Abschuss durch die Flak 4.941 Schuss der leichten und 3.343 Schuss der schweren Kaliber aufgewendet worden. Bei Tag wurden bezogen auf die alliierte Einsatzzahl 0,8% (1 von 125) und bei Nacht 0,65% (1 von 145) der angreifenden Flugzeuge durch die Flak abgeschossen. Etwa 30% der Flugzeuge wurden durch Flakbeschuss unterschiedlich stark beschädigt‘. http://www.airpower.at/news03/0813_luftkrieg_ostmark/statistik.htm 

Bronnen: 

S.H. Hoogterp: Strijd om ons luchtruim, van Cleef, ‘s-Gravenhage, 1950 

F.J. Molenaar: De luchtverdediging mei 1940, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage, 1970 

W. Klinkert, R.U.M.M. Otten, J.F. Plasmans: 75 jaar luchtdoelartillerie, Sectie Militaire Geschiedenis, 's-Gravenhage, 1992 

P.E. van Loo e.a.: Verenigd op de grond, verbonden in de lucht, Boom, Amsterdam, 2017 

Collectie NIMH, 409 Gevechtsverslagen en -rapporten mei 1940 

www.vrijwilligelandstorm.nl